Category: Eigen werk, Urbex

Een paar jaar geleden schreef ik voor een testuitgave van een fotografie magazine dpzine een stukje over een Urbex Locatie. Het was het ,ondertussen gesloopte, verlaten ziekenhuis “Le Valdor” in Luik. Hieronder de tekst die ik toch nog graag met jullie wil delen.

Bekijk het album van Le Valdor voor alle foto’s.

LE VALDOR
BALANCEREN TUSSEN FANTASIE EN WERKELIJKHEID.

Elke fotograaf heeft wel een passie waar hij veel vrije tijd in steekt. Sinds een half jaar ben ik in de ban geraakt van oude verlaten gebouwen. Het bezoeken van een oud en reeds jaren verlaten gebouw heeft een diepe impact op je emoties. Ruimtes komen tot leven en op een of andere manier nemen je zintuigen gebeurtenissen uit het verleden waar.
Net als elke passie, is ook deze passie fijn om te delen met een ander. Mijn partner, die met mij deze passie deelt, is Patrick Dinjens.
Samen hebben we reeds vele bezoekjes aan diverse locaties gebracht, varierend van mijnen, treinstations, fabrieken en ook ziekenhuizen.
Persoonlijk raakten mij twee locaties in het bijzonder: Hasard Cheratte, een oude verlaten
mijn nabij Luik en Le Valdor, een oud kloosterziekenhuis in het centrum van Luik.

De binnenkomst in Le Valdor is via een raam aan de achterzijde.
Je reis door Le Valdor begint via dat raam in het laboratorium.
Eenmaal binnen bekruipt ons een raar gevoel. Ik zie de turquoise-achtige kleuren van het lab, en vraag me direct af, waarom we tegenwoordig witte, beige en grijze muren hebben. Links in de deuropening naar de rond krommende gang richting hoofdgebouw zie ik een laborante staan. Haren in jaren zestig stijl. Ze staat er met een rekje bloedmonsters en een blik in de ogen van: “Wat doet u hier?”.

Ik hoor Patrick zeggen: “Kijk luc, hier liggen nog 5 1/4 inch floppy disks”. En meteen ben ik met mijn gedachten weer terug in het heden. We worden lichtelijk overdonderd door de schoonheid van het gebouw en ons wordt duidelijk dat de mens meer dan 5 zintuigen moet hebben. Lopend door de gang richting het hoofdgebouw valt ons op hoe de natuur weer bezit neemt van wat hem toebehoord. De wortels priemen zich met het natuurgeweld door de muren, het stukwerk met diepe wonden achterlatend.

Ik hoor in de verte een patiënt kermen. Het geluid lokt ons verder de gang in en eenmaal in het hoofdgebouw aangekomen lopen we de eerste slaapzaal aan onze rechterhand binnen. Een slaapzaal groter dan een sportzaal zoals we deze tijdens onze jeugd op school hadden. Ik zie een twaalftal bedden staan, links zes en rechts nog eens zes. De glimmende stalen bedden steken af tegen de zalmroze muren. De geur die mijn neus registreert is van schoon gewassen katoen. Achterin zie ik de toiletten, lichtblauw. De kleuren spreken tot de verbeelding en doen me denken aan een blokkendoos uit mijn jeugd. Dat waren blokken in allerlei zachte pasteltinten. In het vierde bed links ligt de kermende man, hij grijpt naar zijn maagstreek. Een non staat er naast en veegt het zweet van zijn voorhoofd met een doek. Een tweede non haast zich naar het voorportaal en komt terug met een pijnstiller.
Rechts vooraan ligt een man over te geven in een halfrond glimmende roestvrij stalen nierbekkentje.

“Moet je eens die afgebladderde verf op die deuren zien!” Zegt Patrick, en weer sta ik met beide benen in het heden. We keren weer terug naar de gang en lopen verder richting eerste trappenhuis. Een monumentale trap staat voor onze neus, en de lichtval is werkelijk prachtig. De kropfactor van de D-SLR doet ons beiden worstelen met de beelduitsnede. Het gebrek aan een flinke groothoek maakt het onmogelijk deze in een geheel vast te leggen. Ik wenste dat ik een sinar technische camera bij me had met extreme groothoek lens.

Ik hoor voetstappen boven aan de trap en zie een doktor met stethoscoop de trap af komen. Naast hem loopt een non. Ik hoor gemompel over een blindedarm ontsteking en realiseer me dat ze het over de kermende man in de slaapzaal hebben. Nu begrijp ik waarom hij met een verbeten gezicht naar zijn maag greep.

Ik zie Patrick de trap op lopen naar de eerste verdieping. En weer realiseer ik me dat ik werkelijkheid en fantasie had verwisseld. Ik loop Patrick achterna en we vervolgen onze weg door gangen met links en rechts behandelkamertjes.

Rechts zie ik een zuster papieren sorteren, dossiers van patiënten
neem ik aan, achter haar staat een grote archiefkast.

“Kijk eens hier, in die vloer. Wat een betonrot!” hoor ik Patrick zeggen. De vloer van de gang is op sommige plekken helemaal vergaan onder invloed van het regenwater. In het midden van de gang staat een po-stoel. Stoelen zijn een favoriet onderwerp van Patrick en mij.

Terwijl ik mijn statief instel en sta te kijken naar de stoel hoor ik aan het einde van de gang een glas vallen. Ik loop erheen en zie in de kamer aan het eind een zuster de scherven bij elkaar rapen. Ze was de afwas aan het doen. Achter me hoor ik gelach, ik draai me om en zie een ruimte waar zusters pauzeren. Ze lachen om de blunder van hun collega.

Terwijl we het trappenhuis aan de andere kant weer naar beneden lopen bedenk ik me dat er dus zes van dit soort trappenhuizen zijn. En in totaal zes vleugels van 2 verdiepingen hoog met slaapzalen. Twaalf grote slaapzalen dus. Een lichtblauwe deur geeft toegang tot een ruimte met bruine en oranje tinten welke ooit een wachtruimte was. Een wachtruimte met een rustgevend uitzicht op een bos. Althans dat moet het behang op de muur de patiënten wijs maken. Ik herinner me een wachtruimte van een tandarts uit mijn jeugd met net zo’n behang. In mijn herinnering een verschrikkelijke man, een beul haast. Niets kon mij tot rust brengen ook dat nep-uitzicht niet. Ik zie mensen zitten met angst in hun ogen, niet wetend wat voor ziekte ze hebben of wat hen nog te wachten staat. In het midden zit een vrouw met de rode vlekken in haar gezicht, het doet me denken aan rode hond of iets dergelijks. De stoelen naast haar zijn leeg, er is niemand gaan zitten. Men is blijkbaar bang voor besmetting. Een zuster komt de hoek om en roept de volgende patiënt. Een donkere man, vroeg in de dertigers, staat op en strompelt achter haar aan.

We lopen verder door de gang en vinden een klein trappenhuis.
We volgen de trap naar beneden en bevinden ons nu in de kelder. We zien bijna geen hand voor ogen, af en toe een klein straaltje licht dat uit een deur de donkere gang invalt. De zaklamp komt hier goed van pas.

Plots hoor ik water, het lijkt alsof iemand zich aan het wassen is. We gaan op het geluid af en zien een zuster iemand in een bad wassen. “In de kelder?”, vraag ik me af. Als we dichterbij komen zien we hoe bleek de man in het bad is. En ik realiseer me dat we in de wasruimte van het mortuarium zijn aangekomen. De koude rillingen lopen over mijn rug. Ik vraag me af hoeveel mensen het in die tijden niet gehaald hebben, de medische wetenschap was toen niet zo ver als nu en het vermoeden dat het hier erg druk was vroeger neemt toe.

De kelders lijken een eindeloos doolhof, allemaal gangetjes en kamertjes. Weer boven gekomen lopen we richting hoofdingang. Linksvoor is een wenteltrap naar boven. Op de eerste verdieping lopen we een kapel in. Van lopen is echter niet veel sprake de vloer is er niet meer en alles wat rest zijn houten balken. Balancerend van balk tot balk proberen we een plek te vinden om ons statief weer op te bouwen. Tussen de balken zien we de bakstenen
van het plafond gewelf van de verdieping er beneden. Het glas in lood, het plafond, de pilaren vormen samen een prachtig geheel. Nog een verdieping hoger komen we op het zoldertje boven de kapel. We vinden hier boekjes met muzieknoten, muziek die de organist tijdens een heilige mis gespeeld moet hebben. Zachtjes hoor ik beneden ineens het klikken van orgelpedalen en langzaam hoor ik kerkmuziek, steeds duidelijker. De organist speelt weer. En hij speelt prachtig.

Terug naar de eerste verdieping lopen we langs wat een behandelkamer zou kunnen zijn geweest. Plots zie ik een man achter een karretje lopen, het karretje vol met witte was. Hij is op weg naar de wasserette. Een zuster komt aangelopen met nog wat was in de handen en gooit het bovenop de mand die nu zo hoog gestapeld is dat de man er nauwelijks over heen kan kijken. Terwijl hij de was wat aandrukt hoor ik Patrick roepen dat het langzaam tijd wordt. De dag is al zo goed als voorbij en we maken ons klaar om te vertrekken. De zon is al haast onder en er rest niet veel licht meer om te fotograferen. Een statief en lange sluitertijden helpen veel, maar geen licht is ook dan te weinig.

Beiden weten we dat we hier nog terug komen. Binnen niet al te lange tijd ook. De plannen zijn om het grootste deel van Le Valdor te slopen. Hiervoor in de plaats komt een nieuw ziekenhuis.
De voorgevel en 2 vleugels blijven bespaard, en worden in het nieuwe ontwerp hergebruikt. Volgens onze gegevens moet dit begin 2005 gaan gebeuren, maar in België weet je nooit…
Een ding is zeker, dit gebouw heeft mijn hart gestolen.
Het heeft een plekje in mijn ziel veroverd,
hier wil ik nog een keer terug.

Pin It
Copyright © 2015 [ o ] luclodder fotografie. All rights reserved.